Communiceren met gele kaarten

Uit Anderwijz

Ga naar: navigatie, zoeken
In 2000 heeft de opleiding Communicatiewetenschap van minister Hermans een gele kaart gekregen. Hij vond dat er iets mis was met de onderwijskwaliteit en de controle hierop. Daarom zet Anderwijz uiteen wat er allemaal gebeurt voordat een minister een gele kaart uitdeelt. En waar jij kunt helpen om dit te voorkomen.


/ Achtergrond / Tekst Linda van der Weg / Beeld Ruurd Reelick /


Als student-lid van een opleidingscommissie is het je doel om de kwaliteit van het onderwijs te bewaken. Want de opleidingscommissie is in eerste instantie het orgaan dat zich bezig houdt met kwaliteitszorg. Vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OC&W) is grofweg bepaald hoe de verantwoordelijkheden voor de kwaliteitszorg liggen. In de grondwet staat dat de minister van onderwijs verantwoordelijk is voor goed onderwijs. De kwaliteit moet continu gewaarborgd worden en om dit goed te kunnen doen heeft het ministerie een systeem ontwikkeld. Ze maakt daarbij een onderscheid tussen interne en externe kwaliteitszorg.

Inhoud

Interne en externe zorg

Met interne kwaliteitszorg wordt bedoeld dat de instelling (de universiteit of hogeschool) zelf een systeem heeft dat er op gericht is de kwaliteit van het onderwijs te bewaken. Belangrijke onderdelen van dit systeem zijn de evaluatie van het onderwijs en het functioneren van de opleidingscommissies. Opleidingen moeten zoveel mogelijk zelf hun zwakke en sterke kanten analyseren en daarmee aan de slag gaan. Instellingen krijgen door deze autonomie ook iets meer slagkracht, opleidingen worden flexibeler.

Het gevaar van dit interne systeem is dat je bepaalde zaken over het hoofd ziet. Daarom moet er ook van buiten de opleiding en zelfs van buiten de instelling regelmatig bekeken worden of de opleiding aan de eisen van goed onderwijs voldoet. Dit noemt men daarom ook wel de externe kwaliteitszorg. Bij deze kwaliteitsbewaking van buitenaf, zijn meerdere organisaties betrokken.

Betrokken partijen

De opdrachtgever is de minister. Deze heeft al een speciale dienst tot zijn beschikking, namelijk de Inspectie Hoger Onderwijs. Bij deze dienst zijn diverse onderwijsinspecteurs werkzaam die zich met onderzoeken naar de staat van onderwijs bezig houden. De Inspectie adviseert de minister. Zij adviseert met name op basis van onderwijsvisitaties, uitgevoerd door speciale commissies.

Deze visitatiecommissies opereren voornamelijk onder de vleugels van de vereniging van universiteiten VSNU en de HBO-Raad, waarin hogescholen zijn vertegenwoordigd. Eens in de vijf jaar komt een visitatiecommissie langs bij elke opleiding. De VSNU of HBO-Raad zorgt voor de organisatie hiervan. Zij draagt de leden van de commissie voor en zorgt ervoor dat er een rapport verschijnt aan het einde van de visitatieronde. Ook stellen ze de protocollen vast op basis waarvan zij het onderzoek uitvoeren.

De visitatiecommissie bestaat uit zes leden waarvan ten minste één student. De overige leden moeten ofwel bekend zijn in het vakgebied dat ze gaan bezoeken, of ze moeten kundig zijn op het gebied van onderwijskunde of didactiek. De commissie bezoekt alle opleidingen in het hele land van hetzelfde vakgebied. Dit maakt vergelijking tussen soortgelijke opleidingen mogelijk. Formeel wordt de commissie ingesteld door VSNU of ­HBO-Raad.

Onderzoek

De visitatiecommissie begint het onderzoek met het zelfstudierapport. Dit is het rapport dat de opleiding zelf geschreven heeft. In dit rapport moet de opleiding zelf op kritische wijze een elftal vragen over de opleiding beantwoorden. Hoe zij deze zelfstudie precies uitvoert ligt niet vast. Wel is het belangrijk dat zowel student als docent terug te vinden zijn in het rapport. Toch is hier een belangrijke taak voor de opleidingscommissie weg gelegd. Want in dit zelfstudierapport dient ook speciale aandacht te worden gegeven aan het systeem van interne kwaliteitszorg. Met andere woorden, op welke wijze heeft de opleiding haar continue evaluatie geregeld en hoe functioneert deze.

Nadat de commissie het zelfstudie rapport heeft gelezen, bestudeerd en doorgesproken, komt ze op bezoek. Eén of twee dagen lang praat de commissie met bestuurders, docenten en studenten van de opleiding en ook zeker met de leden van de opleidingscommissie. Ze leest een paar eindscripties en andere werkstukken, bestudeert tentamens en bekijkt de faciliteiten van de opleiding, zoals bijvoorbeeld de computervoorzieningen.

Op basis van alle informatie die ze dan tot zich heeft genomen, schrijft de com­missie een rapport. In dit rapport neemt zij ook aanbevelingen op. Dan gaat de rapportage naar de opleiding, zodat zij kan reageren op het eindoordeel van de ­commissie. Het commissie rapport tezamen met de reactie van de opleiding worden doorgestuurd naar de Inspectie Hoger Onderwijs. Deze beoordeelt in eerste instantie of het onderzoek wel voldoet aan de eisen van de Inspectie. Daarna bekijkt ze de inhoud van het onderzoek. De Inspectie schrijft voor iedere opleiding een zogenaamde meta-evaluatie op basis van het visitatierapport.

Deze meta-evaluatie is ook bedoeld als beslissingsstuk. Op basis hiervan wordt besloten of men de kwaliteit voldoende vindt, of dat de Inspectie een versneld traject start. Normaal gesproken gaat de Inspectie twee jaar na de onderwijsvisitatie bij de opleiding langs om te zien hoe het gaat met de voorgenomen maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Vindt de Inspectie echter dat een opleiding te lang van te laag niveau is geweest, dan gaat ze versneld langs bij de opleiding om te praten over voorgenomen maatregelen.

De ‘gele kaart’

Heeft de Inspectie vervolgens geen vertrouwen in de voorgenomen maatregelen, dan meldt zij dit bij de minister van OC en W. De minister deelt in zo’n geval een openbare waarschuwing uit (ook wel gele kaart genoemd). De opleiding krijgt dan van de minister 92 dagen de tijd om aan de waarschuwing gevolg te geven. Dat wil zeggen dat de opleiding na drie maanden moet rapporteren welke maatregelen zij al heeft genomen en welke maatregelen zij wil gaan nemen ter verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Indien de minister na drie maanden niet tevreden is over de uitkomst hiervan, kan hij de opleiding de financiële steun ontzeggen. Hierdoor wordt het voortbestaan van de opleiding bijzonder onzeker.

Het sluiten van een opleiding wegens een ontoereikende kwaliteit van onderwijs, is in Nederland nog niet voorkomen. Wel heeft de minister vrij recentelijk een gele kaart (openbare waarschuwing) aan de opleiding Communicatiewetenschap van de Universiteit van Amsterdam uitgedeeld. Dit gebeurde in februari 2000, en heeft heel wat stof doen opwaaien. Een belangrijke reden voor de minister om de gele kaart uit te delen was dat de problemen die de visitatiecommissie reeds in 1993 vaststelde, grotendeels niet waren opgelost.

Toen in 1998 het zelfstudierapport werd geschreven, constateerden de student-leden van de opleidingscommissie dat de studie ‘inhoudelijk slap’ was. Eén van de grote problemen waar Communicatiewetenschap mee kampte was het personeelsprobleem. Het aantal studenten was explosief gegroeid, het docentencorps daarentegen niet. Bovendien waren de faciliteiten ontoereikend. Al met al constateerde het visitatierapport dat er te weinig een pro-actief beleid werd gevoerd. Of te wel, regeren is vooruitzien, ook voor studenten...




Persoonlijke instellingen